contact  zoeken  impressum 
  
 links 

 

Geld, Grond en de huidige woningmarkt

Jos Verhulst

3/2000

            

Een korte beschouwing over de gestegen huizenprijzen aan de hand van de Belgische situatie. Door Jos Verhulst.

"Iedereen moet in een gezond, kwaliteitsvol en betaalbaar huis of appartement kunnen wonen. Dat is een elementair mensenrecht en een vereiste om een rechtvaardige en zorgzame samenleving uit te bouwen. Daarom heeft het ACW altijd op de bres gestaan en acties gevoerd om dat recht op menswaardig wonen af te dwingen. We trekken opnieuw aan de alarmbel want de prijzen van bouwgronden en woningen swingen de pan uit. Ondanks een aantal overheidsmaatregelen, zoals verschillende premiestelsels die de aankoop van een eigen woning vergemakkelijken, mogen jonge mensen en gezinnen met een modaal inkomen hun droom, "een eigen woning", laten varen. Alleen kapitaalkrachtigen kunnen het nog betalen. De cijfers liegen er niet om. Tussen 1990 en 1998 zijn de bouwgrondprijzen bijna verdubbeld: gemiddeld van 930 naar 1.716 fr. per m2 (...) Volgens de statistieken steeg het gemiddeld inkomen met 25%, terwijl de gemiddelde verkoopprijs van eengezinswoningen explodeerde met 54%... en met 76% voor de bouwgronden. Er moet snel een politiek en juridisch kader worden geschapen waardoor de overheid op de bouwgrond- en woningmarkt kan optreden" (Theo Rombouts in Visie , 26 mei 2000, p.3).

Het ACW snijdt hier ongetwijfeld een cruciale tematiek aan. Het heeft geen zin om te spreken over de invoering van een basisinkomen, of over een loonsverhoging voorleraren, indien tegelijk mensen met een laag of modaal inkomen een steeds groter deel van hun middelen moeten afstaan gewoon om ergens over de grond of onder een dak te mogen lopen.

Waarom wordt grond duurder?

Geld is iets anders dan de bankbiljetten of muntjes die we gebruiken om geld voor te stellen. Strikt genomen is geld krediet. Dat kunnen we inzien door na te gaan, hoe vele eeuwen in Noord-Italië papiergeld werd gecreëerd. Aanvankelijk was het papiergeld niets anders dan een ontvangstbewijs, dat door een goudsmid werd uitgegeven wanneer je hem een zekere hoeveelheid goud toevertrouwde. Wanneer je het ontvangstbewijs teruggeeft aan de goudsmid, kreeg je (mits aftrek van een kleine commissie) ook je goud terug. Je kan hetzelfde ontvangstbewijs echter ook gebruiken als bankbiljet, om een derde te betalen. Die laatste kan het bankbiljet zelf weer als betaalmiddel gebruiken, of het desgewenst bij de smid inruilen tegen goud. Belangrijk is, dat het bankbiljet wordt geschapen op het ogenblik dat goud wordt gedeponeerd bij de smid, en dat dit bankbiljet wordt vernietigd wanneer het goud terug bij de smid wordt afgehaald.

Het moderne geld ontstaat, wanneer de bank haar biljetten uitgeeft, niet in ruil voor goud, maar wel in ruil voor een verbintenis tot productie. Een boer die geen goud heeft, krijgt van de goudsmid toch een ontvangstbewijs voor goud, wanneer hij zich tegenover de smid verbindt om bv. na een jaar een hoeveelheid graan te leveren ter waarde van dat goud. De goudsmid kan dan dat graan verkopen tegen goud. De transactie berust nu op het vertrouwen van de goudsmid in de productieve bekwaamheid en inzet van de boer. Het zichtbare goud wordt vervangen door een onzichtbaar goud: de productieve bekwaamheden die het vertrouwen opwekken van diegene die het bankbiljet uitgeeft. Uiteindelijk kan de rol van het goud helemaal wegvallen, terwijl de rol van bankbiljet-uitgever door de staat wordt overgenomen. Wij krijgen dan krediet voor onze productieve bekwaamheden.

In België hebben de burgers genoeg krediet, dit wil zeggen genoeg geld, om het ongeveer vier jaar uit te zingen. De gezinnen hebben geld ter waarde van ongeveer vier nationale jaarproducties. Indien alle Belgen plots zouden stoppen met werken, zouden zij in theorie nog vier jaar kunnen leven van de goederen die in pijplijn van de productie zitten. Wij zouden ons geld uitgeven in winkels, en van de gaandeweg leeggekochte winkels zou het geld naar de banken en vandaar naar de nationale bank terugstromen. Deze laatste is de eigenlijke opvolger van onze Italiaanse goudsmid. Omdat de Belgen niet meer werken, kan de nationale bank geen nieuw geld in omloop brengen: niemand vraagt nog krediet. We zouden dan zien, dat het geld in de nationale bank tot waardeloos papier wordt.

Een fundamentele aberratie van het kapitalisme lijkt hierin te bestaan, dat het proces van geldschepping en geldvernietiging , van krediet toestaan en krediet inlossen niet wordt weerspiegeld in de geldcirculatie. Het geld wordt niet tot waardeloos papier wanneer de ermee overeenstemmende productie is opgesoupeerd. Het geld is niet gebonden aan de reële economie, maar het circuleert wild - op zoek naar 'rendement'. Daarbij vertoont het onvermijdelijk de tendens, om zich te gaan hechten aan zaken die mensen nu eenmaal nodig hebben om te kunnen leven. Want wie via geld levensnoodzakelijke aspecten vna het menszijn controleert, heeft macht waarmee 'rendement' kan worden afgedwongen. In ons huidig tijdsgewricht schijnen er twee belangrijke aanhechtingspunten te zijn voor het wilde geld: enerzijds patenten en auteursrechten (waarop ik hier niet inga), en anderzijds grond. In beide gevallen gaat het om privÈclaims op oneigenlijke goederen.

Natuurlijk stroomt er zeer veel geld naar aandelen. Heel wat mensen zijn zeer rijk omdat zij veel aandelen bezitten. Nochtans kan bezit van aandelen uiteindelijk alleen maar als interface dienen, doch niet als uiteindelijke veilige opslagplaats van overtollig geld. Aandelen zijn maar waard wat iemand ervoor wil geven. Met grond is dat anders. Wie grond bezit, kan de bewoner van die grond verplichten om voor zich te werken. In tegenstelling tot een aandeel is grond een deel van het reële leven, en nog wel een onmisbaar deel. Ieder heeft grond nodig om op te leven, en iedereen heeft behoefte aan een dak boven het hoofd. Wie grond bezit, beschikt eigenlijk over een levensrecht. Grond is immers geen economisch goed: het wordt niet geproduceerd en evenmin verbruikt. Wie zogenaamd grond bezit, heeft eigenlijk een recht in zijn bezit, namelijk het gebruiksrecht van die grond. En mensen hebben nu eenmaal grond nodig om op te leven. Wie het gebruiksrecht van grond bezit, zit dus op rozen: hij kan de mensen, die op 'zijn' grond wonen, via huur-en pachtovereenkomsten verplichten om voor hem te werken.

Zolang er ruimte genoeg is, kunnen mensen nog uitwijken. Maar in een land als België, dat dichtbevolkt is en waar bovendien de regelgeving inzake ruimtelijke ordening bruusk wordt verscherpt, kunnen veel mensen niet meer uitwijken. Zij zijn uitgeleverd aan de grondbezitters. En de prijzen stijgen.

Het ACV laat weten , dat het geen echte oplossing ziet. Inderdaad, een structurele oplossing is maar mogelijk wanneer grond van de markt wordt gehaald. De beste manier om dat te realiseren lijkt me de oprichting te zijn van grond- en wooncoöperatieven. Mensen kunnen zich verenigen en hun grond en huizen, of een equivalente geldinbreng, overdragen aan zo'n coöperatieve. Het huidige woningfonds van de Bond voor grote en jonge gezinnen zou zijn activiteiten kunnen omschakelen en aan jonge gezinnen, die tot een coöperatieve toetreden, goedkope leningen toestaan om hun inbreng te financieren. De coöperatieve heeft de naakte eigendom van de grond. De bewoner van een huis of de gebruiker van een stuk grond betalen een jaarlijks lidgeld aan de coöperatieve, die daarmee de huizen en de grond onderhoudt. De bewoner heeft het gebruiksrecht van het huis. Hij kan niet uit het huis gezet worden en hij heeft het voorkeursrecht om een ander lid van de coöperatieve als volgende bewoner aan te duiden.

Zo'n coöperatieven zouden verscheidene practische en sociale voordelen hebben. Gezinnen veranderen bijvoorbeeld van grootte. Momenteel leven veel uitgebloeide gezinnen in veel te grote huizen, terwijl jonge gezinnen met kinderen vaak moeten verblijven in te kleine appartementen zonder tuin. Binnen een coöperatieve is het gemakkelijker om aangepaste verhuizingen uit te dokteren. Hetzelfde geldt voor alleenstaanden. Een echtscheiding bijvoorbeeld leidt bijna altijd tot verhoogde totale woonkosten voor de betrokkenen. Indien een coöperatieve voldoende groot is, kan ze kleine woningen voorzien voor mensen die - eventueel tijdelijk - alleen komen te staan, zonder dat het budget van de betrokkenen daardoor wordt ontwricht. Eigenlijk zou de invoering van grond- en wooncoöperatieven ertoe moeten leiden, dat de woonkosten niet langer afhankelijk zijn van de gezinsgrootte. Ik geloof dat dit ook een voorwaarde is om het persoonsgebonden basisinkomen te kunnen invoeren. Zolang alleenstaanden verhoudingsgewijs veel hogere huisvestingskosten hebben, zit je met het probleem dat een basisinkomen dat samenwonenden de gewenste autonomie verleent, niet volstaat om een alleenwonende te laten rondkomen.

Grond- en wooncoöperatieven kunnen mogelijkerwijs ook de sociale cohesie bevorderen. De leden kunnen bijvoorbeeld, op basis van een aan de coöperatieve gebonden LETS-systeem, samen aan woningonderhoud doen. Leden van de grond- en wooncoöperatieve kunnen, via stemming op algemene vergaderingen, beslissen over nieuwe verwervingen of grond- of huisruil met andere coöperatieven, of over de toetreding van nieuwe leden.

De oprichting van grond- en wooncoöperatieven kan wettelijk aantrekkelijk gemaakt worden, met name door coöperatieven te ontslaan van de loodzware notariële kosten bij de verwerving van grond en huizen en voorkeursregelingen voor de verwerving van nieuwe bouwgrond. Coöperatief verworven grond blijft definitief in de coöperatieve sfeer en kan nooit meer verkocht worden. Wanneer een coöperatieve wordt ontbonden, gaat het beheer van haar grond over naar andere coöperatieven.

Natuurlijk is het hier geschetste voorstel uiterst onvolmaakt en onvolledig. Het gaat er echter om, dat bewust de weg wordt ingeslagen naar de uitzuivering van de vrije markt. De vrije markt is een onmisbare instelling in iedere samenleving, die de mensen een waardig leven wil bezorgen, want alleen op de vrije markt kunnen de mensen vrij hun individuele voorkeur inzake consumptie uitdrukken. De keerzijde is echter, dat op die vrije markt alleen goederen en diensten verkrijgbaar mogen zijn, die door menselijke arbeid tot stand komen en door menselijke consumptie weer worden vernietigd. Zolang op de vrije markt ook rechten worden verhandeld, blijft het met de menselijke waardigheid slecht gesteld.

Spenden