contact  zoeken  impressum 
  
 links 

 

De Gang Naar Het Moderne Bouwen

Tom van Bakel

1/2004

            

Vinex wijk en toplocatie

Door Tom van Bakel

In de afgelopen zomer verscheen in de Volkskrant een reeks artikelen over Nederlandse badplaatsen. Een daarvan beschreef Noordwijk aan Zee en onderstaande foto gaf daar een indrukwekkend beeld van. Deze foto wekte niets zonnigs, niets luchtigs, geen vakantiegevoel in mij, alleen een spontane moedeloosheid overviel mij met de vraag hoe het toch mogelijk is dat wij in deze tijd waarin wij zoveel weten, zoveel kunnen, zoveel fantastische voorbeelden uit de hele wereld en van alle tijden tot onze beschikking hebben, op z'n mooie plek met uitzicht over zee, niets beters weten te scheppen dan deze platte appartementenwand. Deze vraag bleek niet zo eenvoudig te beantwoorden, maar bij deze een eerste aanzet.

Tempelbouw

In het verre verleden waren tempels geen willekeurige bouwsels maar getrouwe afbeeldingen van religieuze inzichten Zo toonden de Indiase tempels tot in de kleinste onderdelen negen grote scheppingsfasen en in de piramiden zijn de bijzondere betrekkingen die de Egyptenaren met enkele sterrenstelsels hadden verwerkt. De Griekse tempels tenslotte hadden de verhoudingen van het menselijk lichaam als uitgangspunt.
Wanneer we deze afdalende lijn van schepping, naar de sterrenhemel, naar het menselijke lichaam voortzetten dan is het niet verwonderlijk dat er ook een periode aan zou breken waarin de gebouwen door materiele eisen bepaald zouden worden. In die periode leven we nu.

De Renaissance

Zoals we allen weten werd heel Europa in de Renaissance schatplichtig aan de Grieken. Dit hield eeuwen aan zoals we uit de woorden van Jacques Francois Blondel (1705-1774) kunnen opmaken: "Hoewel wij de klassieken de baas zijn wat betreft de indeling, moeten wij toegeven dat zij het van ons winnen als het om de gevelversiering gaat. Om daarvan overtuigd te raken, hoeft men slechts even te kijken naar enig monument uit de Oudheid: dan is men gedwongen toe te geven dat de mooiere bouwwerken uit de afgelopen honderd jaar alleen zo mooi worden gevonden omdat ze lijken op deze voortreffelijke voorbeelden."(1)
De klassieke meetkunde, het propriesysteem, met de Egyptische driehoek en de gulden snede, bepaalden samen met de ambachtelijke traditie de gevelindeling, de maatvoering en de detaillering van gebouwen. Daardoor konden niet alleen de gewone ambachtslieden verantwoord bouwen, maar ook kunstenaars zoals een Michelangelo en Rafaël, zoals een Hendrik de Keijzer, van oorsprong een beeldhouwer, en de schilder Jacob van Campen. Ofschoon zij geen bouwkundige opleiding genoten hadden, konden deze mannen, met hun klassieke kennis, toch belangrijke bijdragen aan een bouwgeneratie geven.
Maar vanaf diezelfde Renaissance begon men de aarde met zijn aardse verhoudingen te ontdekken. Had men in de Middeleeuwen het stoffelijke nog als iets geestelijks gezien -de metalen werden bijvoorbeeld met de planeten, met hemelse verschijningen, in verband gebracht- in de Renaissance begon men hun natuurkundige eigenschappen te onderzoeken. Het was Galileo Galileï die aan het eind van de zestiende eeuw studies verrichtte in de mechanica in het Arsenaal van Venetië. Deze studies vonden hun neerslag in de "Due Nuove Scienze" en zouden vanaf dat moment langzamerhand het architectonische denken gaan beïnvloeden.(2)

Een stalen brug

Dit mechanische denken brak in 1771 in West-England in de architectuur door. In het graafschap Shropshire werd in dat jaar een stalen brug over de Severn te Coalbrookdale gelegd. Tot dat moment werden ook utiliteitswerken zoals stadsmuren, bruggen en waterwerken met praktijkervaring en volgens vaste verhoudingen opgetrokken. Vanaf dat jaar echter begon de traditie te verdampen ten gunste van de toegepaste mechanica. Dat dit een ander beeld opleverde wordt op slag duidelijk wanneer we een Romeins aquaduct met deze stalen brug vergelijken.

In betrekkelijk korte tijd drong het staal ook de gebouwen binnen. In de vlasspinnerij te Shrewsbury werden in 1797 voor het eerst gietijzeren kolommen en smeedijzeren balken toegepast. Vernieuwend zijn ook de plantenkassen voor de adel die daar tropische gewassen in kweekte. De kassen waren zuiver utilitaire constructies, die uiteindelijk culmineerden in het befaamde Crystal Palace (1851) te Londen. In datzelfde Londen werd in 1846-1849 in de kolenbeurs een koepel van gietijzeren spanten, ondersteund door gietijzeren kolommen toegepast. In Amerika vond een volgende belangrijke stap plaats. Daar ontwierpen William Le Baron Jenney en zijn medewerker George B. Whitney het Home Insurance Building te Chicago (1885) dat meteen al tien verdiepingen telde.


Crystal Palace (verwoest door brand in 1936)

Een vernieuwing

In 1870 riep William Henry Furnuss de architecten op het vermoeide tijdperk van imitatie achter zich te laten: “We zijn nu met ijzer aan het bouwen en we hebben een nieuwe passende stijl nodig waardoor het ijzer een eerlijk aandeel krijgt en zijn massieve kracht kan tonen.” Louis Sullivan schreef: “Sta op, wend je van het verleden af en word scheppend. Dit is onze tijd, het verleden leeft niet meer. Bibliotheken scheppen geen dichters en kunstenaars.” Hij had een deel van zijn opleiding in Londen genoten, maar deze stad met zijn, zoals hij noemt, “massieve ouderdom”, beklemde hem en de klassieke stijlen konden hem weinig boeien. (3)

Met het wegvallen van de klassieke vormenleer kregen de architecten in eerste instantie opeens alle ruimte om zelf hun plattegronden en gevels te ontwikkelen en hun eigen schoonheidsbeleving gestalte te geven. Van het begin af aan sloeg ieder een andere weg in. William Le Baron Jenney zelf, die de vader van de moderne architectuur wordt genoemd, was als zoon van een reder in feite meer een ingenieur dan een architect. Van veel gebouwen ontwierp hij alleen de constructie waarna hij de gevels aan zijn assistenten overliet. Voor Louis Sullivan was de natuur de grote inspirator. Op de boerderij van zijn grootvader leefde hij in de natuur en een grote alleenstaande es noemde hij zijn “Grote Vriend". Het is dan niet verwonderlijk dat juist hij "The Tall Office Building Artisticaly Considered." geschreven heeft. Frank Loyd Wright ontwikkelde zijn zogenaamde Prairiehuizen als antwoord op de Amerikaanse prairies waar hij zo van hield. Hij nam waar dat op dit vlakke land al een gering hoogteverschil een grote indruk maakte terwijl alles wat breed was aan betekenis inboette en als het ware overal wegviel. Met deze waarnemingen en de gedachte dat de vloeren van gebouwen aan de aarde toebehoorden ging hij aan het werk.


Home Insurance Building-----------Monadnock Building

Jenney had dus een voorkeur voor de constructie, Sullivan hield meer van de hoogte, Lloyd Wright van de vlakte en het kon niet uitblijven dat er ook puur economisch gebouwd zou worden. De architect Rood moest de Monadnock Buiding te Chicago (1889-1891) zuinig ontwerpen. De opdrachtgever had namelijk bepaald dat het gebouw zonder ornamenten gebouwd moest worden, omdat deze slechts extra kosten en een snellere vervuiling met zich mee zouden brengen. Deze bepaling leverde een groot sober gebouw op.

Het is opmerkelijk dat wanneer we deze vier elementen samenvoegen, er een gallerijflat voor onze ogen opdoemt. Het skelet van Jenny, de hoogte van Sullivan, de horizontale lijnen van Lloyd Wright en de soberheid van Rood. Sullivan zocht een bouwstijl die het nieuwe Amerika waardig zou zijn. Voegen we bij deze basiselementen nog het streven naar indrukwekkende gebouwen aan toe, waarover straks meer, dan ontstaat de basis van de internationale architectuur.


Prairiehuis: Boynton House, Rochester

Gevolgen

De bouwgeschiedenis begon steeds meer met de geschiedenis van de techniek samen te vallen. Wat is er in die korte tijd toch niet allemaal ontwikkeld? De lifttechniek is er gekomen, de luchttechniek en de lichttechniek. Er is gewapend beton gekomen en voorgespannen beton, gelijmde houten spanten zijn ontwikkeld. De architecten begonnen zich enthousiast in het aardse uit te leven en de wereld volgens aardse verhoudingen in te richten. En uiteraard begonnen ze te bouwen wat technisch en economisch haalbaar was.
Het zwaartepunt kwam in de opleidingen dan ook op exacte vakken zoals techniek, wiskunde, mechanica, scheikunde en kennis van bouwstoffen te liggen en een zeer bescheiden deel van de lesuren bleef voor het leren schetsen en de architectuurstudie over en voor zoiets als beeldvorming was helemaal geen plaats: het in de vingers krijgen van verfijning en verbeelding wordt in de bouwstudie dus niet ontwikkeld. En niemand zal het in zijn hoofd halen om een kunstenaar een vooraanstaand gebouw te laten ontwerpen. Deze te gevoelige mensen kunnen niet meer tot dit veel te technische vak toegelaten worden. Van deze kant kunnen daarom geen nieuwe ontwikkelingen meer verwacht worden en moeten de gebouwen de verfijning missen die de kunstenaars wellicht aan hadden kunnen brengen.

De techniek, de organisatie en de economie gingen het bouwproces overheersen, het kunstzinnige verdween en de mens werd tot standaardmaten teruggebracht.
Vele architecten omhelsden daarom de "stijl van de nuchtere of edele eenvoud".(4) Deze onmacht werd niet meer door de klassieke verhoudingen gecorrigeerd waardoor een hokkenrij zoals in Noordwijk aan Zee kon ontstaan. Dit gegeven kunnen we in alle moderne woonwijken waarnemen. Daar hebben anonieme tekenaars voor projectontwikkelaars gangbare huizentypen ontworpen die dan wel niet erg gewild zijn, maar toch goed verkopen.

De Vinex-wijk

Laten we eens zo’n anoniem straatje met aan beide zijden eensgezinswoningen ontwerpen. Dan weten we meteen waar we het over hebben. Op de eerste plaats zien we er op toe dat de twee rijen zo dicht mogelijk bij elkaar komen te liggen opdat een bouwkraan ze met één beweging volledig kan bereiken. Niet te dicht op elkaar natuurlijk, want de bezonning moet voldoende zijn. In de winter moet de zon de zuidgevels volledig kunnen beschijnen, althans in de vinex-locatie; voor de stad hebben we dit allang opgegeven. En het spreekt uiteraard vanzelf dat er geparkeerd en gereden moet kunnen worden. Het gangbare bouwen houdt tevens in dat de kavels in de diepte komen te liggen: in de breedte zouden ze immers teveel ruimte in beslag nemen.

Alle muren zijn uiteraard recht, dat scheelt niet alleen in materiaal en arbeidskosten, maar nu kunnen er ook prefab-wanden ontwikkeld worden die regelrecht vanuit de fabriek met de kraan in één keer op hun plaats te zwenken zijn. Het volgende belangrijke element is de natte groep; toilet, badcel en keuken. Om leidingwerk (riolering, waterleiding en ventilatie) te sparen worden deze zoveel mogelijk bij elkaar geplaatst. Natuurlijk plaatsen we keuken e.d. aan de straatzijde,waar de hoofdleidingen liggen, dat scheelt weer een paar metertjes leiding. Heeft de natte groep eenmaal een plaats gevonden, dan vloeit de hele plattegrond daaruit als vanzelf uit voort.

We kunnen nu aan het dak gaan denken. Schuine pannendaken zijn relatief het makkelijkst aan te brengen, kunnen ook mooi met islolatielaag en al van te voren gemaakt worden. Omdat schuine daken relatief het goedkoopst en ook nog betrouwbaar zijn, is het de kunst om zoveel mogelijk schuine dakvlakken in het ontwerp aan te brengen. Vaak wordt daarom een bekapte zolder toegepast en loopt het dakvlak aan de achterzijde over de eerste verdieping door. Rest nog de spannende keuze om de bergingen voor of achter de huizen te plaatsen en klaar is het geheel.

Wanneer de wijk op deze wijze helemaal volgebouwd zou worden, zou geen hond daar in willen wonen. Hoewel: in het Nederland van de wederopbouw deed men dit wel degelijk en waren de mensen blij dat ze een huis hadden. Het zijn nu echter de problematische stadswijken geworden.

Daarom getroosten de ontwerpers zich tegenwoordig alle moeite om op dit thema zoveel mogelijk te variëren. Er kan al veel bereikt worden met verschillende soorten gevelbekledingen (baksteen, hout of panelen) en wat kleurdifferentiatie. Het wegenpatroon hoeft niet al te strak te zijn en er is in de wijk plaats voor een paar plukjes hoogbouw. Laagbouw voor de bejaarden, enkele vrijstaande woningen voor de beter gesitueerden, een supermarkt als ontmoetingscentrum en een paar schone bedrijfspanden moeten voor een leefbare buurt zorgen. Elke sloot wordt geëxploiteerd als waterpartij, een boerderij die niet in de weg staat wordt een landmark en een schattig kerkje, liefst een tikkeltje eigenwijs vormgegeven, zou een bijzondere uitstraling op de wijk kunnen hebben. Ziedaar een moderne ‘Vinex-locatie’.

De toplocatie

Het tegenovergestelde vindt plaats op de zogenaamde toplocaties. Grote organisaties zoals het bedrijfsleven en de overheid willen zich het liefst in markante gebouwen vestigen en bekende architecten wordt gevraagd deze te ontwerpen. Dezen houden er echter zo hun eigen denkbeelden op na, dat is immers de verworvenheid van deze tijd. Maar omdat ieder een eigen karakteristieke beeldtaal heeft ontwikkeld kunnen bouwwerken nogal van elkaar verschillen. Het resultaat is een gigantische uitdragerij. In Nederland kun je dit inmiddels goed zien rond vele spoorwegstations, zoals Amsterdam Sloterdijk. In Parijs is de wijk de la Defense een prachtvoorbeeld.


Parijs: la Defense

Hoe verhoudt dit zich tot de uniformiteit van ons woonwijkje? Het moderne bouwen is van huis uit gevoelsarm, dit moest gecompenseerd worden.
Wat wegviel aan gevoelsleven werd vervangen door de “massieve kracht van het staal”, zoals Furnuss het noemde. Een gebouw moest de dynamiek van de techniek uitdrukken. Nauw hiermee verbonden ontstond de tendens dat een gebouw groot moest wezen om zo als het ware toch nog een gevoelsindruk op te roepen. Het hele gebouw werd krachtig, massief, groot, en gecombineerd met spiegelende ruiten, al helemaal indrukwekkend.

De gevoelsarmoede die het moderne bouwen teweeg brengt, mag niet onderschat worden.
Enerzijds heeft men hier te maken met de leegte die alle uniformiteit met zich meebrengt; er valt weinig te beleven aan een moderne woonwijk. Anderzijds zijn er de sterke indrukken van een aantal grote en sterk afwijkend vormgegeven gebouwen bij elkaar. Deze indrukken kan men innerlijk nauwelijks of niet tot een geheel maken. Gevolg is dat men ze wegdrukt of zich er simpelweg voor tracht af te sluiten. Dit kan leiden tot een behoorlijke mate van apathie en reken maar dat we daar allemaal last van hebben. Wie heeft er nog zin om het neerdrukkende effect van een hoge flat te ondergaan, of mee te hoeken met een of andere asymmetrische mega-kantoorkubus? Innerlijke leegte en apathie leiden overigens des te sterker tot de behoefte aan beleving, dan wel het zoeken van een uitlaatklep. Dit kan zich tonen in vervelend gedrag en emotionele uitbarstingen, zoals ‘zinloos geweld’. De samenhang met de problemen die groepen jongeren kunnen veroorzaken ligt hier voor de hand.


Project 'Mahler 4', Amsterdam Zuidas

Natuurlijk is het zo dat er tal van boeiende gebouwen zijn aan te wijzen waarbij men wel een rijke aanvullende gevoelsbeleving kan hebben. Er moet echter meer veranderen. In de tegenstelling tussen vinex-wijk en toplocatie komen zeer duidelijk twee hoofdstromingen tot uitdrukking die vervolgens weer naadloos samenvallen. Dat is nu ook de tendens in de steden. Grote woningbouw met een eigenwijze vorm, ieder gebouw een eigen dynamiek. Aan de Zuidas in Amsterdam denkt men nog verder; daar wordt nu werkelijk alles in een gigantische speelgoeddoos door elkaar gemengd tot één grote ‘internationale toplocatie’.

De technische maatschappij

Sinds 1771 is er ongelofelijk veel veranderd. Niet alleen in de bouw maar op alle gebieden heeft de techniek en de mechanisering die daar uit voortvloeide een niet te onderschatten ingreep op de cultuur gehad.
Een boer in de Schermer gaf me daar een mooi voorbeeld van. Deze man vertelde vol bewondering dat de molenaars eertijds een uitgelezen kijk op het weer hadden, zo uitgelezen dat ze al vast begonnen te malen wanneer ze ook maar een vermoeden hadden dat het zwaar weer zou gaan worden. Nu zijn er in de Schermer geen molenaars meer, want het droogmalen van alle polders in heel Noord-Holland wordt centraal vanuit Amsterdam computergestuurd geregeld. Dit houdt in dat in de Schermer alleen al zo'n dertig molenaars niet meer beroepsmatig met het weer hoeven mee te voelen. Daar staat tegenover dat zoiets als het lezen van een boek of het volgen van een studie voor hen een absolute luxe was. Er moest bovenal hard gewerkt worden en de kinderen hielpen al vroeg mee.

We zien overal dat de techniek de traditie doorbreekt, wat aan de ene kant gevoelsarmoede geeft, en aan de andere kant de ruimte vrijmaakt om tot zichzelf te komen en de eigen talenten te ontwikkelen. En dat is ondanks alles datgene wat we waarschijnlijk allemaal willen.
Het moderne bouwen is een uiterlijk beeld van deze ontwikkelingen. Tegelijkertijd heeft ze deze bevorderd en daarmee onmiskenbaar een belangrijk aandeel gehad in een vrijmakingsproces.
We willen dus niet naar het verleden terug, want we willen onze vrijheid behouden. Toch moeten we iets met die vrijheid doen. We moeten onze talenten ontplooien, willen we niet in apathie verzinken.

Wat moet er gebeuren?

In de loop der jaren heeft men ingezien dat dieren atypisch gedrag gaan vertonen wanneer zij te onnatuurlijk behuisd zijn. Dierentuinen worden daarom meer en meer heringericht: de hokken verdwijnen en men probeert landschapjes te vormen die op de leefwijzen van de verschillende dieren zijn toegespitst, waardoor zij zich meer naar hun eigen aard kunnen gedragen. Het is toch heel opmerkelijk dat in een tijd dat men inziet dat dieren niet in hokken gevangen gehouden mogen worden, mensen kennelijk wel in appartementenhokken kunnen leven. Ook mensen hebben behoefte aan een eigen natuurlijke omgeving, waardoor zij zich naar hun eigen aard kunnen gedragen.

In het verleden was dat niet zo moeilijk want een boer kon zoveel boer zijn als hij maar wilde zodra hij een boerderij met een erf en akkers bezat. Gaf een molenaar een molen op een winderige vlakte en zijn leven was vervuld. Een geestelijke had genoeg aan een pastorie en een kerk in een gemeente. Wanneer we echter onszelf willen ontplooien moeten we nu onze eigen persoonlijke ruimte scheppen, onze persoonlijke biotoop, ons persoonlijk territorium. Een omgeving waarin wij als persoon tot ons recht komen en op kunnen bloeien.

Het gaat hier natuurlijk niet om het creëren van afgescheiden eilandjes. De architectuur heeft zich vandaag de dag meer dan ooit uiteen te zetten met de vraag hoe wij met elkaar omgaan. Om terug te komen op randgroepjongeren; met hen wordt in de architectuur geen rekening gehouden. Hetzelfde geldt voor kinderen. Het lijkt wel leuk die speeltuintjes en ontmoetingsplekjes hier en daar, maar in het ontwerpproces komt dit altijd op het tweede, derde plan. In de steden is al helemaal geen plaats voor kinderen, laat staan voor de grotere gezinnen. Dat los je niet op door woningen te slopen en er dure appartmenten voor alleenstaanden en tweeverdieners neer te zetten opdat de wijk beter ‘gemengd’ wordt. Gezinnen worden de stad uitgejaagd, degenen die achterblijven in de oude stadswijken hebben vaak de laagste inkomens en kunnen geen kant op.

De volgende stap in het bouwen is daarom hoe dan ook dat de bewoners zelf een aandeel in het ontwerpproces gaan nemen. Mevrouw Kröller-Müller ging ons daar in voor: strijdbaar legde zij haar eisen aan de architecten op. Mevrouw Schröder ontwierp in een innige samenwerking met Rietveld haar eigen huis. In de jaren ’90 kozen de inwoners van Groningen uit vier ontwerpen hun stadhuis, tot afgrijzen van de internationale architectengemeenschap. In Purmerend werd een hele wijk in een sociaal proces ontworpen.
Een andere stap betreft het inrichten van ons eigen huis, waar we reeds allemaal mee bezig zijn. Hoe we daar verder in kunnen komen valt helaas niet in drie regels uit te leggen en zal daarom in een volgend artikel beschreven worden.

Tom van Bakel is bouwkundige en organiseert regelmatig architectuurexcursies.

Noten:
1. A.Tzonis en L. Lefaivre“Theorieën van het architectonisch ontwerpen”
2. A.Tzonis en L. Lefaivre,“Het architectonische denken”.
3. S. Paul, “Louis Sullivan An Architect in American Thought”
4. In Nederland komt dit tot uitdrukking in de Stijl (Rietveld), de Nieuwe Zakelijkheid en de Delftse School, met als tegenhanger de Amsterdamse School die meer met vormen experimenteerde.

 themen 

 

 web-site