contact  zoeken  impressum 
  
 links 

 

Skull & Bones - machtig netwerk in de Amerikaanse politiek

Arjen Nijeboer

3/2001

            

De huidige Amerikaanse president George W. Bush is, net als zijn vader, lid van de loge Skull & Bones. De loge is bijna 200 jaar oud en behoort tot de invloedrijkste netwerken in de Amerikaanse politiek.

Door Arjen Nijeboer

Antony Sutton
Antony Sutton
Het onderzoek van ir. Antony Sutton

Bij Stanford-professor Antony Sutton staan de Sovjet-Unie en Amerikaanse netwerken centraal, maar dan op geheel andere wijze dan bij Kees van der Pijl en Carrol Quigley (zie de artikelen over de CFR en Bilderberg).

De biografie van Sutton is de moeite van het vermelden waard. Van 1968 tot 1973 werkte Sutton als economisch historicus op de Stanford-universiteit. Zijn belangrijkste publicatie daar was het driedelige Western Technology and Soviet Economic Development, 1917-1965 (1969-73). Hierin documenteerde hij met pijnlijke nauwkeurigheid hoe vitale delen van de militaire en economische Sovjet-infrastructuur geleverd waren door Amerikaanse bedrijven, evenals leningen door Amerikaanse banken. Deze leveringen waren direct na de Oktoberrevolutie in 1917 begonnen en, saillant genoeg, vaak uitgevoerd door bedrijven en banken waarvan de eigenaren vooraanstaande publieke figuren waren en door commissariaten en familierelaties nauwe banden hadden met de Amerikaanse overheid.

Door Sovjet-specialisten als Harvard-professor Richard Pipes werd Suttons drieband zeer geprezen, maar toen hij in 1973 een veel dunnere, populaire versie onder de titel National Suicide: Military Aid to the Soviet Union wilde publiceren, kostte hem dat zijn baan op Stanford. Het werd in 1974 alsnog gepubliceerd bij een kleine alternatieve uitgeverij. Vanaf dat moment begon Sutton met zelfstandig onderzoek. (North, voorwoord in Sutton 1986: xiv)

Tijdens zijn onderzoek was Sutton echter op zaken gestuit die nóg minder gemakkelijk te verklaren waren: vanuit de VS waren in de loop van 1917 allerlei vormen van politieke en diplomatieke steun en de overdracht van geld, wapens en munitie aan de bolsjewisten op gang gekomen die niet meer als 'handel' te classificeren waren, maar nog slechts als politieke ondersteuning om hogere redenen. Nog hetzelfde jaar publiceerde hij de resultaten van dat onderzoek in Wall Street and the Bolshevik revolution. En als klap op de vuurpijl volgde in 1976 Wall Street and the rise of Hitler, waarin Sutton aantoonde dat ongeveer dezelfde kringen die de Oktober Revolutie ondersteund hadden, ook Hitler aan kapitaal en vitale technologie hadden geholpen.

Toen gebeurde iets onverwachts. In 1983 schreef Sutton in het voorwoord van An introduction to The Order (1984: vii):

"Na 16 boeken en 25 jaar onderzoek verbaasde me niets meer. De wereld was een warrige rotzooi die waarschijnlijk niet te begrijpen en zeker niet te redden viel (...). In 1969 werd mijn Western technology and Soviet economic development gepubliceerd door de Stanford Universiteit. In drie dikke delen ging ik na hoe het Westen de Sovjet-Unie had gebouwd. Het werk leverde echter een onoplosbare puzzel op - waarom hebben we dit gedaan? Waarom hebben wij de Sovjet-Unie gebouwd en tegelijkertijd technologie naar Hitler-Duitsland gesluisd? Waarom probeert Washington deze feiten te versluieren? Waarom hebben wij tegelijkertijd onze eigen militaire kracht en die van de Sovjet-Unie opgepompt?ë

De daarop volgende boeken, de Wall Street-serie, voegden nog meer vragen toe, maar geen antwoorden. Ik was min of meer tot de conclusie gekomen dat een rationele verklaring niet mogelijk was.

"Tot ik een jaar geleden een twintig centimeter dikke stapel documenten ontving - niets minder dan de ledenlijsten van een Amerikaans geheim genootschap. Door de papieren blade-rend was me meteen duidelijk dat dit geen alledaagse groep was. De namen betekenden Macht, met een hoofdletter M. Terwijl ik alle individuele leden natrok, verscheen een patroon... en de tot dan warrige werld werd kristalhelder.ë

Logo Skull & Bones
Logo Skull & Bones

De orde die Sutton had ontdekt als het centrum van de tweezijdige steun was de (onregelmatige vrijmetselaars)loge Skull & Bones, in 1833 opgericht als 'senior society' op de Yale-universiteit (New Haven, NY). Op basis van de documenten die hij van een bron van binnenuit Skull & Bones in handen kreeg, baseerde hij de Orderserie.

Literatuuronderzoek leverde voor de periode van de oprichting (1833) tot nu slechts 6 geschreven bronnen op (Sutton 1984: 6-7):

(a) een anoniem pamflet getiteld Skull & Bones (1876), het verslag van de inbraak in oktober 1876 van een concurrende loge in de Skull & Bones-tempel op de Yale-campus;

(b) het pamflet The fall of Skull & Bones (1876) door een groep die zichzelf 'The Order' noemde; evenals Skull & Bones een verslag van dezelfde inbraak;

(c) het anonieme pamflet The Iconoclast (1873), geschreven door Yale-studenten die hun klachten over de ongebreidelde invloed van Skull & Bones op de universiteit niet in de pers kwijt konden omdat die ook door Skull & Bones werd beheersd;

(d) een hoofdstuk uit Four years at Yale (1871) van Lyman H. Bagg, die daarin de senior societies van Yale behandelde;

(e) het artikel ,,The last secrets of Skull & Bones'' uit Esquire (september 1977) door Ron Rosenbaum, die door zijn studie aan de Yale-universiteit iets van de cultische aspecten van Skull & Bones wist en daar een artikel over schreef;

(f) de archieven van de Russell Trust Association in de universiteitsbibliotheek van Yale, die echter na de publicatie van Suttons eerste 'Order'boek voor iedereen gesloten werd.

Skull & Bones oprichter W.H. Russell
Skull & Bones oprichter W.H. Russell

Skull & Bones werd opgericht door (de latere generaal) William H. Russell en (de latere minister van Oorlog) Alphonso Taft, de vader van president William H. Taft. Skull & Bones heeft een eigen tempelgebouw op Yale en een eigen eiland in de St. Lawrencerivier in New York waarop haar sociteit, de Deer Island Club, is gevestigd. Alleen 'patriarchs' mogen het eiland betreden. De juridische rechtspersoon ter beheer van kapitaal en onroerend goed van Skull & Bones wordt gevormd door de Russell Trust Association en de Deer Island Corporation, beide gevestigd in New York. (Sutton 1984: 6-7; 1983: 15; Rosenbaum 1977: 149)

Elk jaar op dezelfde dag, 'Tap day', krijgen 15 Yale-studenten een invitatie om toe te treden met de mededeling: ,,Skull & Bones. Do you accept?'' De student moet dan beslissen zonder verdere informatie of voorwaarden vooraf. Op een bepaald moment bestaat de orde dus uit 500 tot 600 leden. In totaal zijn zo'n 2500 mannen lid geweest; sinds de jaren '70 heeft Skull & Bones - een typische WASP-instelling - enkele 'token blacks' toegelaten, maar toelating van vrouwen staat zelfs niet ter discussie. Skull & Bones is een senior society: in het laatste studiejaar treedt men toe en wordt dan 'knight'. Pas na het afstuderen wordt men 'patriarch' (volwaardig lid) en blijft dat tot zijn dood er zijn geen gevallen bekend van leden die na verloop van tijd bedankten.

Het Skull & Bones clubhuis
Het Skull & Bones clubhuis

De inwijdingsperiode van een nieuwe 'knight' bestaat uit meerdere rituele gebeurtenissen verspreidt over een enkele maanden. De avond van de eerste inwijdingsrite wordt hij in de Skull & Bonestempel belaagd door mannen in skeletpakken, worstelt hij naakt in de modder en neemt hij plaats in een doodskist waar hij symbolisch sterft en opnieuw, op een hoger niveau, geboren wordt. In de daaropvolgende tijd volgen lange avondsessies in de tempel waar de wijdeling al zijn trauma's, angsten, dromen en de meest intieme details van zijn sexleven moet opbiechten. De Skull & Bones-rituelen maken naar verluidt op veel leden een diepe indruk. Lid Henry Stimson, minister van oorlog onder Franklin D. Roosevelt, noemde de ervaringen in de Skull & Bones-tempel de meest diepzinnige van zijn hele studententijd. ,,Zowel ingewijden als buitenstaanders zien de essentie van Skull & Bones als dat van een mannenbroederschap, een Victoriaanse, gespierde, christelijk-missionarische kijk op het manzijn en de dienst aan het publieke belang'', schrijft Rosenbaum (1977: 89), die gewag maakt van de Mitrische aspecten van het Skull & Bones-ritueel.

Na de inwijding krijgt het lid een nieuwe naam, als aandenken een staande klok en $ 15.000 om zichzelf een nieuw leven te verschaffen. Skull & Bones verzekert voor ieder lid zijn inkomen. Skull & Bones-leden staan op Yale bekend om hun absolute zwijgzaamheid over alles wat de orde aangaat; zij zijn verplicht de ruimte te verlaten als het woord 'Skull & Bones' alleen al valt. (Sutton 1984: 7-9; 1983: 11-21; Rosenbaum 1977: 85-86)

Skull & Bones oprichter Alphonso Taft
Skull & Bones oprichter Alphonso Taft

Zo'n twintig families vormen de harde kern van Skull & Bones. Ze vallen uiteen in twee groepen:

(a) Nazaten van de eerste Engelse Puriteinse families die zich in de periode 1630-1660 in Massachusets in het noordoosten van de Verenigde Staten vestigden; hoofdzakelijk de families

- Whitney (1635, Watertown, Mass.)

- Stimson (1635, Watertown, Mass.)

- Perkins (1631, Boston, Mass.)

- Phelps (1630, Dorchester, Mass.)

- Bundy (1635, Boston, Mass.)

- Lord (1635, Cambridge, Mass.)

- Taft (1679, Braintree, Mass.)

- Wadsworth (1632, Newtown, Mass.)

- Gilman (1638, Hingham, Mass.)

(b) Families die in de 19e eeuw met handel en industrie een kapitaal vergaarden; voornamelijk de families

- Rockefeller (Standard Oil)

- Payne (Standard Oil)

- Harriman (spoorwegen)

- Davison (J.P. Morgan-bank)

- Weyerh‰user (afvalverwerking)

- Sloane (detailhandel)

- Pillsbury (meelverwerking)

De oude Puriteinse families lijken de nouveaux riches vooral om hun kapitaal te hebben toegelaten. In een aantal gevallen verschaften de eersten zich toegang, via het beheer van de trustmaatschappijen en de foundations, tot de vermogens van de nouveaux riches zonder hen in Skull & Bones toe te laten. Skull & Bones-leden gebruikten het kapitaal van de Ford Foundation zodanig tegen de wensen van de familie Ford dat zij zich terugtrok uit het stichtingbestuur. De familie Morgan heeft geen vertegenwoordigers in Skull & Bones, hoewel de orde wel leden op sleutelposities in het Morgan-imperium heeft. (Sutton 1984: 21-28)

Lovett en Kennedy
R. Lovett en J.F. Kennedy

Skull & Bones kan worden beschouwd als het hart van wat in de VS de 'Eastern Liberal Establishment' heet. President Kennedys naaste adviseur, de historicus Arthur M. Schlesinger, schreef over dit 'Establishment' (1967: 115):

"Haar huisgoden waren Henry L. Stimson en Elihu Root; haar huidige leiders Robert A. Lovett en John J. McCloy; haar frontorganisaties de Rockefeller, Ford en Carnegie Foundations en de Council on Foreign Relations; haar organen de New York Times en Foreign Affairs.ë

Volgens Rosenbaum zijn vele leden van de 'Eastern Establishment' die niet in Skull & Bones zitten, aangesloten bij de loges Scroll & Key of Wolf's Head. In totaal telt alleen Yale al zeven geheime esoterische broederschappen. Aangezien ze concurrenten van elkaar zijn en elkaar bespioneren, heeft Rosenbaum van hen veel informatie over Skull & Bones kunnen verkrijgen. (Rosenbaum 1977: 86)

Wat opvalt is het grote aantal organisaties waarvan de eerste directeur, president of voorzitter door Skull & Bones geleverd wordt. Andrew D. White was de eerste president van de Cornelluniversiteit. Daniel C. Gilman was de eerste president van de Carnegie Institution. William H. Taft was de eerste voorzitter van de onbekende maar invloedrijke American Society for the Judicial Settlements of International Disputes, de voorloper van de Volkerenbond. Archibald McLeash was de oprichter van UNESCO en de eerste directeur van het Nieman Fund, die de meest prestigieuze journalistieke prijs van de VS verleent. James J. Wadsworth was de oprichter van het Peace Research Institute. Pierre Jay, die tot dan onbetekende functies vervulde, werd de eerste directeur van de Federal Reserve Bank (New York). De American Historical Association, de American Economic Association, de American Chemical Society en de American Psychological Association werden opgericht door Skull & Bones-leden of mensen die er nauwe banden mee hadden.

In de media nemen Skull & Bones-leden enkele invloedrijke plaatsen in, waaronder Henry Luce (eigenaar het Time/Life-concern), William F. Buckley (uitgever van National Review), Richard E. Danielson (eigenaar van Atlantic Monthly), Russell W. Davenport (eigenaar van Fortune) en John C. Farrar (eigenaar van de uitgeverij Farrar & Straus). De belangrijkste juridische firma's (die in de VS wegens de relatief weinige wetgeving onder de belangrijkste maatschappelijke instituties worden gerekend) van Wall Street, waaronder Lord, Day & Lord en Simpson, Thacher & Bartlett, worden grotendeels door Skull & Bones-leden bezet. Van grote oliemaatschappijen als Standard Oil, Koninklijke Shell, Creole Petroleum, Socony Vaccuum en Dresser Industries zitten eigenaren of CEO's in Skull & Bones. Covert Action Quarterly telt acht Bonesmen die een hoge positie in de CIA innemen. Verder zijn mensen als Winston Lord (lange tijd directeur van de CFR), George Bush (CIA-directeur en president), de senatoren Kerry en Boren en Nationale Veiligheidsadviseur McGeorge Bundy lid van Skull & Bones. (Sutton 1984; Adler-Robohm 1990: 22-23)

Zoals gezegd had Sutton tijdens de jaren '70 allerlei vormen van steun van dezelfde vooraanstaande Amerikaanse kringen voor zowel de Sowjet-Unie als Nazi-Duitsland gedocumenteerd. Tot op het laatst verklaarde hij de steun die uit handel en terug te betalen leningen bestond uit reguliere motieven, nl. met de stelling dat die kringen door winststreven werden gedreven en dat het hen niet kon schelen dat vijanden van de VS die steun gebruikten om de VS te dwarsbomen. De steun die niet uit winststreven kon worden verklaard - politieke en diplomatieke steun, giften in de vorm van geld en technologie - verklaarde hij uit een poging van de gulle gevers om alvast goede betrekkingen met de toekomstige machthebbers aan te knopen. Deze conlusie hield hij vol tot hij de Skull & Bones-documenten kreeg toegespeeld en bleek dat die loge het centrum van de tweezijdige steun vormde.

De steun aan Hitler is vanuit reguliere motieven nog te begrijpen. We kunnen zelfs stellen dat Hitler zoveel steun uit buitenlandse kringen kreeg dat de steun van Skull & Bones misschien niet eens nodig was. Maar hoewel misschien irrelevant voor Hitlers machtsopbouw, toont ze in ieder geval aan dat Skull & Bones wilden dat Hitler-Duitsland sterk stond.

Omdat de ondersteuning zeer ingewikkeld en versluierd verliep en Sutton in zijn boeken de strikte bewijsvoering al tot het minimum beperkte, zullen we hier slechts enkele aspecten van de steun aan de Sowjet-Unie behandelen en de steun aan Hitler-Duitsland, die op zich goed te verklaren is, buiten beschouwing laten.

In de archieven van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, het State Department Decimal File, heeft Sutton een soort memorandum gevonden - ongedateerd - met het plan voor de ondersteuning van de Oktoberrevolutie, geschreven door Skull & Bones-lid Thomas D. Thacher (Sutton 1985a: 30-31):

"Ten eerste (...) zouden de geallieerden een Japanse interventie in Siberië moeten ontmoedigen. In de tweede plaats moet de Sowjet-regering de volste medewerking krijgen in haar pogingen om een vrijwilligersleger te organiseren. Ten derde moeten de geallieerde regeringen morele steun geven aan de pogingen van het Russische volk om, vrij van enige inmenging van buitenlandse machten, hun eigen politieke systeem te vormen. Ten vierde, tot de tijd dat er een open conflict tussen de Duitse en de Sowjet-regering uitbreekt zal er mogelijkheid zijn voor Duitse firma's om vreedzame handelsbetrekkingen met Rusland op te bouwen. Zonder een openlijk conflict zal het waarschijnlijk onmogelijk zijn om handel geheel te voorkomen. Daarom moeten stappen worden ondernomen om de export van ruwe grondstoffen en graan vanuit Rusland naar Duitsland te belemmeren.ë

Trotsky in New York
Trotsky in New York

Toen de revolutionair Leon Trotsky in maart 1917 vanuit New York naar Rusland wilde reizen, bezorgde de Amerikaanse president Wilson hem persoonlijk een paspoort, hoewel lagere ambtenaren poogden om de reis van revolutionairen naar Rusland te voorkomen. Toen Trotsky in het Canadese Halifax alsnog van de boot werd gehaald en gearresteerd, werd er vanuit Amerika druk gezet op de Imperiale autoriteiten om Trotsky vrij te laten. Na de eerste weigeringen hield de druk net zo lang aan tot Trotsky vrij werd gelaten en zijn reis kon voortzetten. Canadese inlichtingenbronnen bevestigden deze merkwaardige gang van zaken (Sutton, 1981: 25-31).

Kranten die eigendom waren van Skull & Bones-leden pleitten direct na de Oktoberrevolutie voor erkenning van de Sowjet-Unie. Wilson ontving op 28 november 1917 een telegram van zijn naaste adviseur Edward M. House uit Parijs dat het zeer belangrijk was dat anti-communistische krantecommentaren onderdrukt werden. Op dezelfde dag beviel Wilson dat van geallieerde kant niet ingegrepen mocht worden. (Sutton 1981: 45-47) Toen later toch nog een Amerikaanse interventie op gang kwam, bezette die echter de Siberische spoorwegen tot de Sowjet-legers haar hadden bereikt en droegen ze toen aan hen over. Het Decimal File bevat documenten die aantonen dat wapens en munitie vanuit de VS naar de revolutionairen in Rusland werden verscheept. De New York Times maakte op 15 februari 1920 zelfs melding van pro-Amerikaanse demonstraties door Moskouse revolutionairen. (Sutton 1985a: 31-33)

William B. Thompson, directeur van de Federal Reserve Bank, reisde in december naar Rusland om een gift van 1 miljoen dollar aan de bolsjewisten te doen, in die tijd een recordbedrag. Op 4 december stuurde hij vanuit Moskou het bericht aan J.P. Morgan in New York voor overmaking van het geld, terwijl George F. Kennan Thompson in zijn bekende studie Russia leaves the war op 2 december uit Rusland vertrekken laat. De Washington Post berichtte op 2 februari 1918 dat Thompson het geld had gegeven omdat hij geloofde dat de bolsjewisten in de VS ten onrechte een slechte naam hadden en hij door middel van de gift de pro-Duitse gevoelens in Rusland wilde temperen. (Sutton 1981: 82-83)

Na de steun die direct nodig was voor de eerste vestiging van de Sowjet-Unie, begonnen bedrijven van Skull & Bones-leden onmiddelijk strategische goederen te leveren aan Moskou, ondanks het Amerikaanse verbod op handel met en leningen aan de Sowjet-Unie, dat pas in 1933 door Roosevelt werd opgeheven. Drie Amerikaanse bedrijven speelden daarin de hoofdrol:

- American International Corporation

- Georgian Manganese Company

- Internationale Barnsdall Corporation

Averell Harriman als VS-ambassadeur in Moskou (1943-46) met Stalin
Averell Harriman als VS-ambassadeur in Moskou (1943-46) met Stalin

De aandelen van die drie bedrijven waren in handen van Brown Brothers Harriman en Guaranty Trust Company (later met Morgan gefuseerd tot Morgan Guaranty), beide private investeringsbanken. Van Brown Brothers Harriman zaten niet minder dan 8 partners in Skull & Bones zaten. Onder hen bevonden zich Prescott Bush (vader van Skull & Bones-lid George Bush) en de broers Averell en Roland Harriman. Skull & Bones had eveneens 8 partners in Guaranty Trust, waaronder Percy Rockefeller en weer Averell Harriman. De directeur van de drie bedrijven was de 32e-graads vrijmetselaar Matthew C. Brush, de naaste medewerker van Skull & Bones-lid Franklin MacVeagh. Deze bedrijven leverden bijvoorbeeld de machinerie die nodig was om de tussen 1917 en 1921 stilgelegen olievelden van de Kaukasus weer aan het werk te krijgen, wat openlijk werd toegegeven door Sowjet-functionarissen. Een van de olievelden, Baku, produceerde in 1900 evenveel olie als de hele VS tezamen. De olieproductie in 1920 was nul maar in 1924 al weer 320.000 ton per jaar.

De Georgian Manganese Company sloot in 1925 een contract met de Sowjet-Unie om de mangaanmijnen van Rusland te exploiteren. Mangaan was de tweede belangrijkste bron voor buitenlandse valuta voor de USSR. De Georgian Manganese Company investeerde 4 miljoen dollar in de infrastructuur. Toen ambtenaren van het State Department achter de concessie kwamen en een onderzoek wilden instellen, moesten zij daar onder druk van Skull & Bones van afzien.

Bush Family Life: opa John Prescott Bush was het eerste Bones-lid van de familie
Bush Family Life: opa John Prescott Bush was het eerste Bones-lid van de familie

Sutton drukt een grote hoeveelheid documentair bewijs letterlijk af. (Sutton 1985a: 33-53) Een andere auteur die gewezen heeft op de verbondenheid van de Westerse met de Sowjet-economie is Charles Levinson (1978), vakbondsleider bij de Amerikaanse CIO.

Sutton komt in zijn Order-serie plompverloren met de verklaring dat een groep in de VS onder leiding van Skull & Bones de Hegeliaanse dialectiek gebruikt - namelijk steun aan tegengestelde bewegingen - om uiteindelijk bij wijze van synthese een 'Nieuwe Wereldorde' met een dictatoriale wereldregering voort te brengen. Veel meer dan de verwijzing naar Hegels dialectiek en diens idee dat het leven van het individu ondergeschikt is aan de staat, voert hij niet aan. Op de betekenis hiervan komen we later terug.

Meer weten?

In het tijdschrift Bruisvat (nr.4) verscheen een artikel over Skull and Bones, met extra aandacht omtrent de ontbinding van de Sowjet Unie in 1991.

Zie hiertoe: http://www.bruisvat.nl/nummer4/skullandbones.htm

 themen 

 

 web-site