contact  zoeken  impressum 
  
 links 

 

Wat is een associatie?

Ezrah Bakker

3/2000

            

In de driegeledingsbeweging duikt met enige regelmaat het begrip "associatie" op. Sterk leeft de gedachte  dat het daarbij vooral zou gaan om het op de een of andere manier samenbrengen van vertegenwoordigers van producenten, consumenten en handel. Zo simpel als dit lijkt, zo moeilijk is het kennelijk om hiermee aan de weg te timmeren. Mijns inziens komt dit met name omdat men een wat al te statisch begrip hanteert. Dit artikel wil een bijdrage leveren om te komen tot een wat levendiger begrip van de materie.  

Economie en associatie

"Pas wanneer in de arbeid de wederkerigheid voor elkaar begint, kan men van arbeid in economische zin spreken." (1) In deze zin komt de hele essentie van Steiner's economische visie tot uitdrukking; overal in zijn economisch werk kan je deze nadruk op wederzijdse afhankelijkheid terugvinden. Het is vandaag de dag nog steeds een regelrechte ondermijning van de grondslagen van de gangbare economische wetenschap.

Ik heb hieruit de volgende conclusie getrokken: de essentie van economie komt tot uitdrukking in het beeld van twee mensen die iets voor elkaar doen. Dit beeld kan op verschillende manieren gestalte krijgen, afhankelijk van het standpunt van de betrokkenen. Verlangen beide iets van elkaar , dan is er sprake van een ruil in de gewone zin des woords. Verlangen beide niets van elkaar, dan raakt men aan de hoogste vormen van "ruil". Twee mensen helpen elkaar; het is het oerbeeld van economie. Twee mensen houden onzelfzuchtig van elkaar; het is de hoogste uitdrukking van het oerbeeld en daarmee het eigenlijke ideaalbeeld van economie. Dit ideaalbeeld kun je niet opleggen; dan ontstaat het Bolsjewisme. Je kunt het wél helpen te ontstaan; door de economie daadwerkelijk op wederzijdse afhankelijkheid te baseren. Het is noodzakelijk om daarbij uit te gaan van een basale ruilsituatie. (2)

Hoe bereiken nu twee mensen overeenstemming omtrent een ruil? Het besluitvormingsprincipe dat hier regeert kan per definitie niet vrijheid of democratie zijn. Als men consequent is, ziet men "consensus" als fundamenteel besluitvormingsprincipe opdoemen: zonder wederzijdse overeenstemming komt een ruil simpelweg niet tot stand. Nu heb je een aan een dergelijke vaststelling niet zoveel. Interessant wordt het wanneer men de vraag stelt hoe het komen tot wederzijdse overeenstemming tussen mensen te bevorderen valt. Wanneer beide partijen inzicht in de eigen motieven hebben is dat handig, maar nooit doorslaggevend. Primair is dat men de motieven van de ander leert kennen.

" In het economisch leven heeft de mens geen ander uitgangspunt dan zijn behoeften (...) Als de mens handelt uitgaande van zijn eigen behoeften, dan treedt hij onder alle omstandigheden op als een anti-sociaal wezen. Dit is dus nooit of te nimmer de basis voor een sociaal oordeel. Hieruit volgt met apodictische zekerheid de noodzaak van associaties (...) ...daardoor dat men de behoeften en ervaringen van anderen leert kennen, ontstaat een gemeenschappelijk oordeel dat vervolgens in economisch handelen kan overgaan (...)" (3)

De associatie is in de eerste plaats een orgaan waar men de behoeften en ervaringen van een ander leert kennen. Vervolgens kan men tot een afweging van het eigen belang met dat van de ander komen. Dit kan dan resulteren in het vinden van een zodanig wederzijds belang, dat tot economisch handelen, een ruil dus, kan worden overgegaan. Het accent ligt op het overstijgen van het eenzijdige belang. De associatie is de vorm om wederzijdse belangen te kunnen vinden en daarmee dé primaire organisatievorm van de economie. (4)

Eenzijdig belang en wederzijds belang

Wanneer men denkt dat op de groentemarkt producenten en consumenten elkaar ontmoeten, heeft men tot op zekere hoogte gelijk. Je kan op basis van deze waarneming echter niet een hele economische theorie opbouwen. Het oerbeeld van economie is van meer belang: wanneer twee mensen iets voor elkaar doen, zijn beide producent en consument. Samenhangen moeten geschapen worden, "... opdat bij niemand een eenzijdig producenten- of consumentenbelang aanwezig is; gelijkmatige belangen." (5) Zodra deze eenzijdigheid wél optreedt, spreekt Steiner eigenlijk niet meer van associaties; eerder van "genootschappen". Op zichzelf zijn dergelijke belangengroepen voor de economie wel nuttig, maar ze zijn simpelweg niet de primaire economische organisatievorm. Het is hierbij goed om voor ogen te houden dat met het toenemen van de arbeidsdeling in al haar aspecten, logischerwijs ook de behoefte aan samenwerkingsverbanden in de economie toeneemt. Dit is niet per definitie een zegen, maar kan juist de eenzijdige wijze van organiseren versterken.  "Men kan in de economie niet meer zonder associaties, vandaar die eenzijdige associaties van producenten, etc." (6) Let wel: "Eenzijdige associaties" is een contradictio in terminis. "Associatie is precies het tegenovergestelde van hetgeen tot kartels en dergelijke leidt." (7)

Zo beschouwd, wordt het allengs duidelijker dat associaties ertoe dienen om oog te krijgen voor wederzijdse belangen die net even wat verder liggen dan de eigen neus lang is. "Associaties in een bedrijfstak bestaan niet, (...) want associatie gaat van bedrijfstak tot bedrijfstak." (8)

Het gaat er echt om dat associaties zoveel mogelijk inzicht in alle mogelijke economische samenhangen kunnen bevorderen. In concreto: associaties dienen het mogelijk te maken helder te krijgen wat de invloed is van het aanleggen van de Betuwelijn op de prijs van aardappels in Groningen.

"Zeker is dat het eerste abstracte basisprincipe, dat de associaties bestaan uit de samenvoeging van de diverse bedrijfstakken." (9) Wanneer dit zogenaamde basisprincipe inderdaad al te abstract wordt opgevat, dan kom je helemaal nergens.  

Associatie en centralisatie

Een klassiek organisatiekundig dilemma betreft centralisatie versus decentralisatie. Beide richtingen zijn voor het bedrijven van economie echter niet maatgevend. De rechtsstaat tendeert altijd naar centralisatie, het geestelijke-culturele leven naar decentralisatie, de economie naar associatie, hetgeen er als het ware tussenin ligt.

Associaties dienen inzicht te bevorderen omtrent de meest verstrekkende economische samenhangen; dit vereist dus ook overzicht. Voor overzicht is een positie van bovenaf nodig. Maar in hoeverre leidt dit tot sturing van bovenaf? "Het is onmogelijk om een economisch lichaam, wanneer het over een bepaalde grootte uitstijgt en verschillende bedrijfstakken omvat, centralistisch te besturen." (10) En:" Het economische leven  kan men nooit van bovenaf organiseren, maar alleen maar associëren." (11)

In zijn algemeenheid mag gesteld worden dat centralistisch sturen ten aanzien van economie alleen maar in de zin van randvoorwaarden kan; het komen tot ruil  moet verder aan het vrije inzicht overgelaten worden. De paradox is dat het samenvoegen van allerlei plaatselijke inzichten echter wel tot een grotere mate van centralisme zal leiden dan men nu in de Westerse economieën kent. Primair gaat het hier om sturing van informatie, en juist niet om het centralistisch besluiten tot een grotere of kleinere produktie van het een of ander. (12)

Kennis en doelmatigheid

Zoals gezegd, kan het bij het associatief samenvoegen van bedrijfstakken nooit gaan om het creëren van abstracte samenhangen, dus ook niet om het bij elkaar rapen van wederzijdse belangen op abstracte wijze. Bijvoorbeeld door schoenmakers, landbouwers en de vertegenwoordigers van de chemische industrie bij elkaar aan tafel te zetten. " Een dergelijke situatie ontstaat niet eens, omdat de associaties die in de economie ontstaan, zich ketenvormig aaneensluiten en van associatie tot associatie zakelijk onderhandeld moet worden."(13) Associaties zijn niet onpraktisch, zij zijn er voor het exponentieel verhogen van economisch vernuft; het zo goed mogelijk benutten van deskundigheid op iedere gewenste plek.  " De associatie is geen organisatie, is niet een of andere coalitie. Ze ontstaat daar waar al die enkelingen die economisch actief zijn bij elkaar komen en waar die enkeling een bijdrage kan leveren vanuit de kennis en het vermogen, verkregen op dat gebied waarin hij of zij deskundig is. " (14)

Hiermee zijn we weer bij het uitgangspunt aangeland. In de "Kernpunten" vindt men omschreven dat het economisch leven verantwoordelijk is voor het doelmatig organiseren van de warencirculatie. Deze doelmatigheid heeft mijns inziens twee polen die elkaar kunnen bijten en versterken: het zo efficiënt mogelijk omgaan met middelen bij het produceren enerzijds en het zo goed mogelijk op de individuele behoeften toesnijden anderzijds. Voegen we hier nu bovendien het oerbeeld van economie aan toe, dan kan men zien dat beide partijen bij een ruil met deze spanningstoestand te maken hebben.

De associatie staat niet zozeer in dit spanningsveld, daarin staat de "waar", ze ís eigenlijk de uitdrukking van dit spanningsveld.

Daarom gaan associaties terug tot de simpelste ruil, én reiken ze tot wereldomvattende samenhangen.

Dé associatie bestaat eigenlijk niet; net als de "waar" transformeert ze telkens. Eigenlijk "verdwijnt" de associatie bij het opheffen van de spanningstoestand die we "ruil" noemen, om vervolgens weer in een nieuw spanningsveld over te gaan.

Net zoals we ons bij de waar moeten afvragen in hoeverre en hoelang iets ruilobject kan / mag/ moet zijn, zo moeten we ons bij associaties afvragen of de spanningsvelden c.q. ruilomstandigheden wel naar evenwicht tenderen: wanneer begint een eenzijdig belang te overheersen? (15) Wanneer dit gebeurt, dan kan men niet echt meer van ruil spreken, maar begint de situatie naar pure roof te tenderen. (Steiner spreekt nogal prozaïsch van "dwangschenkingen".)

Grootte: evenwichtstendens

Al gaan associaties terug tot de kleinste ruil en reiken ze tot mondiale samenhangen, toch valt er nog wel wat over grootte te zeggen. Het lastige schuilt "m erin dat het associatieprincipe vanuit verschillende invalshoeken bekeken dient te worden. Spreekt men over een wereldassociatie voor olie, dan heeft men het over miljoenen kleine associaties.

Hier doemt natuurlijk een geweldige paradox op. In de economie staat niemand op zichzelf, men heeft anderen nodig en anderen jou. Maar associatieve verbindingen staan ook nooit op zichzelf; gezamenlijk vormen ze de wereldeconomie en alle wereldeconomie tendeert weer naar de meest kleine economische handeling. Deze paradox zou eigenlijk nog verder uitgebouwd moeten worden in relatie tot het oerbeeld van economie en de idee van de driegeleding van het sociale organisme. Hier beperk ik mij ertoe er op te wijzen dat het oerbeeld de dynamiek in zich draagt, het is niet statisch. Het gros van de associatieve verbindingen, die er dus altijd al zijn, worden met onvoldoende bewustzijn gehanteerd. Dat bewustzijn te bevorderen is essentieel.

We mogen nu dus aan de stelling dat dé associatie niet bestaat, de volgende toevoegen: "een" associatie bestaat niet. De grootte van "een associatie" is altijd relatief, in verhouding staand tot grotere of kleinere "associaties". En zolang men dit maar goed in het achterhoofd houdt, kan hier gemakshalve wél van "de" of "een" associatie worden gesproken, en daarmee ook van grootte. Wat mij (en Steiner) betreft mag je bijvoorbeeld de relatie tussen een bakker en zijn klantenkring ook een associatie noemen. (15)

Steiner wees ten aanzien van het afbakenen van associaties primair op de volgende wetmatigheid: Wanneer men consumentengenootschappen bestudeert, komt men tot de conclusie dat deze ten eerste alle belang daarbij hebben zo goedkoop mogelijk in te kopen, en ten tweede om zoveel mogelijk mensen in hun gelederen te willen hebben. Exact de tegengestelde neiging hebben producentengenootschappen. Dezen hebben alle belang erbij om zo duur mogelijk te verkopen en houden liever hun gelederen gesloten uit vrees voor concurrentie.  Dit spanningsveld tussen uitdijen en begrenzen doet zich voor bij iedere associatie en leidt tot een bepaalde grootte. (16)

Deze wetmatigheid is ingewikkelder dan zij lijkt, aangezien geen enkele economische wetmatigheid lineair opgevat kan worden. Er zijn altijd meerdere bewegingen. Ik stip er even een paar aan:

Hoe groter een consumentengenootschap, hoe meer een soort basale gemiddelde behoefte wordt vertegenwoordigd. Tegelijkertijd echter, nemen de mogelijkheden voor meer specifieke wensen om zich te organiseren toe. Ofwel, hoe groter, hoe minder men het eens wordt.

Hoe kleiner een producentenkring, hoe beter men z"n klanten kent, maar ook hoe beperkter de mogelijkheden om daarop in te spelen. Hoe kleiner, hoe meer behoefte aan samenwerking. Wordt deze groter, dan kan effectiever geopereerd worden, hetgeen weer meer mogelijkheden voor iedere producent afzonderlijk schept om aan meer specifieke wensen tegemoet te komen. De neiging tot concurrentie neemt weer toe.

Het spanningsveld tussen uitdijen en begrenzen doet zich nu eenmaal binnen deze clubs ook voor, hetgeen z"n weerslag heeft op het spanningsveld tussen beiden. Op menig moment zal men dan het tegenovergestelde van Steiner"s wetmatigheid zien gebeuren. Toch doet dit in essentie weinig af, maakt alleen maar duidelijk dat je met een abstracte interpretatie ervan nergens komt. Ik kan deze nog abstracter maken: deze wetmatigheid laat zich terugvoeren op het gegeven dat de behoefte om te consumeren doorgaans sterker is dan de behoefte om te produceren. Dit leidt tot de omvang van een economie überhaupt....

Grootte: onevenwichtigheid

Steiner had ten aanzien van grootte nóg een wetmatigheid: "..te kleine genootschappen lijden ertoe, dat de deelnemers economisch verkommeren, (...) te grote genootschappen leiden ertoe, dat andere in het economisch leven met deze genootschappen verbonden mensen verkommeren." (17)

Deze wetmatigheid is een wel zeer belangrijke aanvulling op de voorgaande. Je kan haar ook als een variant ervan beschouwen. Zij is zeer extreem gesteld, op een andere plek spreekt Steiner zelfs van "verhongeren" in plaats van "economisch verkommeren". Consequent doorgeredeneerd klopt dat ook. Laat dit extreem doortrekken echter niet afleiden van mildere consequenties, die al pittig genoeg kunnen zijn.

Hoe kleiner een associatie, hoe kleiner de mogelijkheden voor (wederzijdse) behoeftebevrediging. Toch realiseren veel betrokkenen zich dit maar al te vaak niet. Dat is bijvoorbeeld duidelijk waarneembaar bij kleinschalige idëele initiatieven. Onder het mom van opoffering voor de moreel hoogwaardige zaak, wordt in vele gevallen door de meest betrokkenen de relevante vraag naar vergroting vermeden. Zo kan het brengen van offers resulteren in sociale uitputting.

Wat een te grote associatie betreft, een simpel voorbeeld: wat is het effect van een mega-supermarkt? Dat de mensen met beperkte vervoersmogelijkheden er niet kunnen komen. De supermarkt in hun buurt verliest wél klanten; hun "associatie" wordt kleiner. Derhalve mag je stellen: een associatie die te groot is, leidt ertoe dat andere te klein worden. Deze korte toelichting is natuurlijk zeer beperkt. Zie onder meer de kanttekeningen bij de eerste wetmatigheid. Te grote associaties leiden bijvoorbeeld ook tot interne spanningen, maar het is de kunst te zien dat dit daar niet de primaire werking is.

Samenvattend: de eerste wetmatigheid geeft de evenwichtstendens naar grootte weer, de tweede legt de nadruk op de consequenties van onevenwichtigheid. (18) Deze wetmatigheden, hoe simpel ook gesteld, kunnen de lezer veel inzicht verschaffen in economie.Wie de dynamiek van de "dicht bij huis" voorbeelden goed kan vatten, heeft daarmee een belangrijke sleutel in handen om ook de grotere economische samenhangen beter in te zien. Neem een land als Frankrijk, dat zeer centralistisch is georganiseerd; de regio Parijs is een enorm grote samenballing van economische activiteit. Je kunt Parijs nu als een veel te grote associatie zien en je afvragen in hoeverre vele andere regio"s daardoor in feite economisch te klein zijn. En wat te denken van de mondiale Noord-Zuid verhoudingen? Wie dergelijke zaken in het licht van deze wetmatigheden bestudeerd, zal gegarandeerd nog een aantal andere verwante wetmatigheden kunnen definiëren.   Diepe waarheden zullen zo ook in een nieuw licht komen te staan. Wanneer Christus tegen zijn discipelen zegt: "geeft elkander uw liefde, gelijk Ik u mijn liefde gegeven heb", dan kan men het associatieprincipe zeker in dit licht betrachten. Het verbazingwekkende voor mij is hierbij dat het oerpraktische en hoogst morele zo opeens blijken samen te vallen.

Conclusies?

Ik wil het hierbij laten. Bij deze heb ik door een beperkt aantal invalshoeken te behandelen, hopelijk een bijdrage geleverd tot een wat levendiger voorstelling van wat onder een associatie verstaan kan worden.  Wat dit nu allemaal in de praktijk kan betekenen is een andere vraag. Voorop moet staan dat men altijd en overal kan beginnen te werken in de richting van de driegeleding. Dat geldt ook voor het werken aan associatievorming. De enige voorwaarde is de wil om te komen tot een daadwerkelijke economische "weten"schap. Ik benadruk de letterlijke interpretatie hiervan: Is men niet alleen bereid z"n eigen economische zaakjes wat beter voor elkaar te hebben, maar.... is men werkelijk bereid inzicht te krijgen in de gevolgen van het eigen (economisch) handelen en werkelijk begrip op te brengen voor de handelwijze van zijn broeder of zuster? Dat betekent niet anders, dan bovenal met elkaars dubbelganger geconfronteerd te worden. Zonder samenwerking kan de dubbelganger nooit getransformeerd worden en anderzijds, zonder uiteenzetting met de dubbelganger kan men nooit in vergaande mate samenwerken. Lukt het om met deze moeilijkheden om te gaan, dan zal samenwerking pas echt vrucht dragen. Zo vormt men associaties.

Ezrah Bakker is econoom, partner in het Orifiël Instituut (www.orifiel.org) en redacteur van het tijdschrift Bruisvat. Dit artikel verscheen in Driegonaal, zomer 2000.

Literatuur: 

BR   "Betriebsräte und Sozialisierung", GA 331

FS   "Fallstudien. Die Assoziationen der Wirtschaft", Freiburg: Institut für Gegenwartsfragen, (1980) Veel van de citaten zijn ook in de GA's te vinden. Zie daartoe de Duitse tekst op deze site.

NS   "Nationalökonomisches Seminar", GA 341

RK   "Rednerkurs", GA 338

WO      "Westliche und Östliche Weltgegensätzlichkeit", GA 38

1.  NS 3-8-1922

2.  Het ideaalbeeld wordt in het nu volgende met rust gelaten; hoe meer men dit benaderd, hoe meer totaal andere wetmatigheden op de voorgrond gaan treden.

3.  RK  16-2-1921 Er is hier een vertaalprobleem. Steiner spreekt doorgaans van "Interessen" en niet van "Bedürfnisse". Ik vind het vertalen met "belangen" niet in overeenstemming met de Nederlandse taalbeleving, het doet wat vervreemdend aan. Vertalen met "behoeften" is een noodgreep, maar zet mensen niet op het verkeerde spoor.

4.  De gedegen driegeleder zal mij wellicht willen wijzen op uitspraken van Steiner dat hij de pest heeft aan het woord "organiseren". Steiner had hier echter vooral de pest aan, omdat in die tijd de klassieke vorm van organiseren overal de boventoon voerde. Het veronderstelde altijd het organiseren vanuit een centrum van bovenaf. Zie FS 12-10-1920.

5.  FS  25- 5-1919

6.  RK 16- 2-1921

7.  FS  10-10-1920

8.  FS  10-10-1920

9.  FS  12-10-1920

10. BR  24- 6-1919

11. FS  25- 5-1920

12. Dit laatste zal juist veel decentraler tot stand komen dan vandaag de dag gebruikelijk is, maar dat werk ik hier niet uit.

13. BR  23- 7-1919

14. WO 12- 6-1922

15. Het probleem met het begrip "waar" is een artikel apart. Er zijn veel bestudeerders van de driegeleding die grote problemen hebben met de vraag of diensten hier nu ook onder vallen. Dit komt omdat Steiner "waar" principieel gedefinieerd heeft als hetgeen uit de natuur door menselijke arbeid ontstaat. Dit is het grondbegrip van waaruit Steiner zijn economische wetenschap opbouwt. Vanaf dit uitgangspunt dienen echter diensten (die hun oorsprong hebben in het "aangrijpen van geest op arbeid" ) echter wel degelijk in verband te worden gebracht met waren. De bottleneck in dezen is, dat diensten in menig opzicht door menselijk vernuft als "natuurlijke" waren behandeld dienen te worden, juist omdat ze dit naar hun aard niet zijn! Steiner wees er (reeds in januari 1919) op, dat "geestelijke prestaties" de eigenschap hebben dat ze zich makkelijk kunnen multipliceren. Bijvoorbeeld een boek, een voordracht, een uitvinding. Zo ontstaat oneerlijke concurrentie met "echte"waren: juist dit probleem moet men dus oplossen!

16.  FS  23- 3-1919 en 10-10-1920

17. FS  13- 5-1919

18. FS  16- 5-1919

19. Interessant is dat Steiner in beide gevallen de wetmatigheden in termen van "genootschappen" formuleert. Zodra de zaak te eenzijdig wordt geeft hij aan deze term de voorkeur.


Auf deutsch:
 Was ist eine Assoziation? 
In english:
  What is an Association? 
In Dutch:
  Wat is een associatie?  

Spenden