contact  zoeken  impressum 
  
 links 

 

Antroposofie

Definitie van de antroposofie

Karakteristiek voor de antroposofie is de overtuiging, dat ieder mens de geestelijke wereld kan leren kennen, door op adequate wijze aan zichzelf te werken.

Voor kerkelijke en wetenschappelijke dogmatici is dat natuurlijk ondenkbaar. Voor de kerk is het al millennia duidelijk dat zijzelf besluit, hoe de geestelijke wereld er uit ziet. Waar moet het naar toe als de mensen het zelf zouden kunnen controleren! Dit monopolie van de kerk is niet zonder gevolgen voor de wetenschap gebleven. Om hun leven niet te riskeren, hebben onderzoekers er van af moeten zien, zich wetenschappelijk met de geestelijke wereld uiteen te zetten. Als ze het überhaupt al deden, mochten ze zich slechts met de fysieke wereld bezig houden. Zij hebben dit zo sterk verinnerlijkt, dat zij ondertussen geloven, slechts de fysieke wereld wetenschappelijk te kunnen begrijpen.

De antroposofie probeert in plaats daarvan de wetenschap tot de geestelijke wereld uit te breiden en methoden voor toetsing door het eigen ik te ontwikkelen. De geestelijke wereld biedt niet dezelfde mate van weerstand als de fysieke wereld, zodat men zich gemakkelijk iets over haar kan inbeelden, zonder meteen gecorrigeerd te worden. Daarom is het zaak zichzelf in de hand te hebben, om niet de eigen wensvoorstellingen op de geestelijke wereld te projecteren, maar de geestelijke realiteit werkelijk te kunnen waarnemen. Er wordt daarbij van uitgegaan, dat de mens zelf gedeeltelijk tot de geestelijke wereld behoort. Hij heeft daarom geen ander instrument nodig dan zichzelf.

De antroposofie als sociale paradox

Men hoeft geen kerkelijke of wetenschappelijke dogmaticus te zijn, om zich voor te stellen dat de antroposofie naast haar onbetwistbare voortreffelijke eigenschappen ook onaangename vruchten kan voortbrengen. En inderdaad kenmerken de meeste antroposofen zich door hun onverschilligheid ten opzichte van de buitenwereld en zijn sociale problemen. Zij hebben voorlopig hun handen vol aan de eigen ontwikkeling.

Dit is echter slechts één kant van de antroposofie, zo te zeggen een half verteerde antroposofie, die tot karikatuur van zichzelf geworden is. Wie zich onbevangen met de antroposofie uiteenzet, merkt al snel hoe explosief geestelijke inzichten voor sociale vraagstukken kunnen zijn. Neem bijvoorbeeld het antroposofische onderscheid tussen lichaam, ziel en geest. Het sociale toont pas eerst weer zijn samenhang met de mens, wanneer het meer te bieden heeft dan alleen de dualiteit tussen economie en staat – meer dan alleen de keuze tussen globalisering en nationalisme. Het inzicht tussen lichaam, ziel en geest vormde de aanzet tot de sociale driegeleding, waar het naast het economische leven en het rechtsleven ook nog om het geestesleven gaat. Daarbij is het niet het doel, één gebied boven de beide andere te plaatsen. In tegendeel. Het is de vraag, hoe deze drie gebieden zelfstandig kunnen worden gemaakt, waarmee zij zich volledig kunnen ontwikkelen en daardoor zo vruchtbaar mogelijk op elkaar in kunnen werken.

Antroposofen, zoals bijvoorbeeld de beide alternatieve nobelprijswinnaars Nicanor Perlas of Ibrahim Abouleish, die zich met deze andere zijde van de antroposofie hebben bezig gehouden, behoren daarmee tot de radicaalste vertegenwoordigers van een zelfstandige burgersamenleving (of zo men wil: "civil society"), omdat deze direct vanuit het dualisme tot een beginnende sociale driegeleding kan leiden. De huidige tendens, alleen de economie zelfstandig te willen maken, gaat in de tegenovergestelde richting. Deze voert van de regen in de drup, van het dualisme tot het totalitarisme van de economie.

Aan antroposofen, die zich aktief voor een sociale driegeleding in zetten, toont zich dat het individualisme sociaal lonend kan zijn. Wie zichzelf gevonden heeft, vind ook beter de weg tot de ander.

Noch de staat, noch de globalisering, maar juist de burgersamenleving staat daarom voor verscheidenheid en vrijheid. De specifieke bijdrage van de antroposofie aan de burgersamenleving zit hem daarmee niet alleen in de nadruk op de geestelijk-culturele wortels van de burgersamenleving. Net zo belangrijk is de nadrukkelijke boodschap, dat de samenleving de moed tot individuele vrijheid nodig heeft.

De antroposofie maakt daarbij geen uitzondering voor het fundamentalisme. Ook wie zich tot onvrijheid bekent, moet het -al is het voor zichzelf- kunnen uitleven. Het fundamentalisme te willen verhinderen door tal van verboden, zou betekenen dat je het fundamentalisme gelijk geeft, met haar uitgangspunt dat religie op dwang berust. De totale vrijheid is geen teken van zwakte, maar het meest werkzame middel tegen het fundamentalisme. Elke fundamentalist moet namelijk zijn eigen weg uit het fundamentalisme zelf vinden.

Door Sylvain Coiplet
Vertaling EC Bakker

Spenden